dinsdag 25 oktober 2011

Verslag: "Waiting for Abu Zayd"


Progressieve Islam, moderne Islam, hervormende liberale Islam.. er bestaan vele manieren om te verwijzen naar de strekking waar prof. Nasr Hamid Abu Zayd (1943 - 2010) toe behoorde. De Egyptische theoloog werd  bekend in het Westen als de kritische islamgeleerde die zijn land verliet onder druk van islamisten en zijn ideeën verder verspreide vanuit de universiteit van Leiden. De prachtige documentaire “Waiting for Abu Zayd” , door MANA vzw en De Buren vertoont op 28 september, vertelt het leven en de ideeën van de controversiële geleerde door de persoonlijke blik van zijn goede vriend Mohammed Ali Atassi.

Een volle – en diverse – zaal was afgezakt voor de eerste editie van de reeks over moderne Arabische denkers georganiseerd door MANA & De Buren. En dat is minstens wat deze film verdiende. Abu Zayd is een belangrijke referentie en inspiratiebron voor vele moderne theologen en verdient daarom alle aandacht.  De focus van de documentaire ligt op Abu Zayd’s dialoog met zijn studenten en zijn interactie met het ruimere publiek. Daarnaast wordt de relatie met zijn vrouw, Ibtihal Younis, professor Franse letterkunde aan de universiteit van Cairo, integer in beeld gebracht.

We leren Abu Zayd in de film kennen terwijl hij aan het werk is in een publiek debat. Er komen (eeuwenoude) vragen naar boven over de aard van het heilige boek, de Koran. Bedoelt Abu Zayd dat de Koran niet het eeuwige woord van God is, en beweert hij, zoals de middeleeuwse school van de Mu’tazilieten, dat de Koran gecreëerd werd ? Met deze vragen raakt men aan de kern van het debat dat de progressieve islamitische hervormers zo graag op de agenda willen zetten.


Hij legt in zijn standpunt geduldig uit dat “historiciteit” en “temporaliteit” twee verschillende dingen zijn.  Met het begrip “temporaliteit” wil men wijzen op een duidelijk ontstaan van de Koran. Daar gaat het volgens hem niet om. Voor Abu Zayd blijft de Koran het eeuwige woord van God, alleen kwam dat woord in een bepaalde historische context tot de mensen, namelijk in de zesde eeuw en in de Arabische taal.  Hij wil de openbaring als een sociaal, historisch en cultureel fenomeen bestuderen en erkenning vragen voor de menselijke inspanningen in alle disciplines van Islamitische geleerdheid.

De openbaring en de interpretatie ervan zijn voor hem ultiem verbonden. De Islamitische geloofspraktijk hangt af van de manier waarop gelovigen – in elke gegeven tijd – interageren met God’s woord. Geloof hangt intrinsiek af van de gelovigen, Islam berust op de manier waarop de mu’minun, de gelovigen, deze Islam inhoud en vorm geven. En dit kan dus verschillen in tijd en plaats.

Een historische hermeneutische benadering van de onstaansgeschiedenis van de Islam, leidt tot de deconstructie van de concepten van “het heilige” en “de waarheid”. Het “heilige” is voor Abu Zayd geen vast omschreven  gegeven, maar relatief tot mensen, zowel moslims als niet-moslims. Hij neemt als voorbeeld de Ka’aba, de zwarte steen in Mekka. Je kan toch niet verwachten dat de Ka’aba heilig is voor iedereen, vraagt hij aan zijn publiek. Ook “de waarheid” is relatief, prent hij de zaal in.  Intellectuelen of theologen die de waarheid claimen zijn volgens hem de beste steunpilaren van dictators.

Abu Zayd’s uittocht uit Egypte startte met de weigering van een promotie door de universiteit van Cairo. In 1995 werd hij door een islamistisch advocaat voor de rechtbank van Familierecht (volgt shari’a) gedaagd en na een procedureslag als geloofsafvallige verklaard. De wettelijke basis voor de rechtzaak was het islamitische principe ‘hisba’, de maatschappelijke en individuele plicht om er op toe te zien dat God’s wetten nageleefd worden. (Een principe dat direct na de Abu Zayd-zaak wettelijk ingeperkt werd). Verschillende intellectuelen, journalisten en academici werden op deze manier in de vroege jaren 1990 – niet steeds even succesvol – voor het gerecht gebracht, onder meer Nawal el Saadawi in 2001.

Geloofsafvalligheid als zodanig is niet strafbaar in Egypte, maar het huwelijk tussen een moslimse en een niet-moslim wordt wel nietig verklaard. De ‘hisba’-zaak zette het leven van Abu Zayd en Younis op zijn kop. Beiden kwamen naar Nederland, Younis behield nog contacten met haar universiteit. Zij bleef haar echtgenoot publiekelijk ondersteunen.  Wat haar trof was hoe zijzelf buiten spel gezet werd en volkomen genegeerd werd in de rechtzaak die hun scheiding uitsprak.

Abu Zayd vertelde zijn verhaal graag in de Westerse academia en pers, maar gaf in de film zijn vrees aan dat zijn woorden ingeschakeld zouden worden in het anti-islam discours. Waarop meteen een niet onbelangrijke les volgde voor de ‘seculiere kerk’ in het westen.  Het Franse hoofddoekenverbod vindt hij een foute reactie, “de staat verliest zich in haar seculiere ideologie”. Tijd voor waarheidsdeconstructie!

An Van Raemdonck

Geen opmerkingen:

Een reactie posten